Welke wormen zijn er?

Er zijn verschillende maagdarmwormen. Bij Worm&Co worden de mestballen standaard onderzocht op rode bloedworm, spoelworm, lintworm, aarsmade, veulenworm en zand in de mest. Aanvullend kunt u kiezen voor leverbot, longworm en Equisal lintwormonderzoek.

LET OP: zand in de mest is een momentopname. Mocht u paard klachten hebben zoals koliek, slecht eten en dunne ontlasting neem dan altijd contact op met uw dierenarts.

1 Bloedwormen bij het paard (strongyliden)

Levenscyclus bloedwormen buiten het paard

De levensloop van de kleine en grote bloedworm, buiten het paard, is hetzelfde. Eitjes van bloedwormen komen met de mest op de weide, een larfje kruipt binnen enkele dagen uit het eitje en ontwikkelt zich op de weide tot een infectieus larfje. Deze ontwikkeling tot larve gebeurt alleen op de weide en gaat optimaal bij warm vochtig zomerweer. Paarden op een zandpaddock of die op stal staan zullen geen bloedworm infectie oplopen, immers de condities zijn ongunstig voor de ontwikkeling van infectieuze larfjes.

Tijdens het grazen neemt het paard infectieuze larfjes op. Onder koele, vochtige weerscondities kunnen infectieuze larfjes tot 6 maanden overleven op de weide! Bij droog en warm weer is de levensduur van een larfje op de grond een stuk korter. Om de kans om opgenomen worden te vergroten, verplaatsen larfjes zich bij vochtig weer langs de grashalm naar boven. Na opname vindt binnen het paard de verdere ontwikkeling van larve tot volwassen worm plaats. De ontwikkeling binnen het paard verloopt bij grote en kleine bloedwormen verschillend!

Bij mestonderzoek wordt naar bloedwormeitjes gezocht. Omdat de eitjes van de kleine en grote strongyliden niet van elkaar kunnen worden onderscheiden, wordt het totaal aantal strongylide eitjes vermeld op het uitslag formulier. Aan de hand van de wormeitelling krijgt u advies om al of niet te behandelen.

Levenscyclus kleine bloedworm

In totaal worden 50 soorten beschreven binnen de groep van kleine bloedwormen, kleine strongyliden of Cyathostomina. Echter maar 10 – 12 soorten zijn veel voorkomend. De volwassen kleine bloedwormen worden gevonden in de dikke- en blinde darm van paarden van alle leeftijden, behalve bij pasgeboren veulens. Als infectieuze larfjes door het paard worden opgenomen, penetreren ze bij aankomst in de dikke darm onmiddellijk het darmslijmvlies. Na een ontwikkelingsperiode van minimaal 6 weken (de pre-patent period) in zowel het darmslijmvlies als de darminhoud vinden we volwassen eitjes legende wormen in de darmen. Larven kunnen ook enkele maanden rondkruipen in de darmwand. Omdat ze zich steeds verplaatsen, weet het afweersysteem van het paard zich veelal geen raad met deze indringers, met als resultaat een ontstoken darmwand. Dit geldt met name voor jonge paarden.

Kleine bloedworm larven hebben de unieke eigenschap dat ze tijdelijk in een soort winterslaap kunnen gaan waarbij ze worden ingekapseld in de darmwand. Of een larfje in ‘winterslaap’ gaat of zich direct tot volwassen worm ontwikkeld is afhankelijk van vele factoren: leeftijd van het paard, seizoen, weerstand van het paard etc. De larfjes kunnen zo tot 3 jaar ingekapseld blijven zitten, wachtend op de kans om zich tot volwassen worm te ontwikkelen. Als er een signaal komt vanuit het darmlumen dat er geen of onvoldoende volwassen wormen meer zijn, gaat een aantal larfjes vanuit de wand naar het darmlumen. Daar ontwikkelen ze binnen een korte periode tot volwassen worm en gaan eitjes leggen.

Ziektebeeld

Soms is de migratie vanuit de darmwand zo massaal, bijvoorbeeld na een ontworming, dat grote gedeeltes van het dikke darm slijmvlies geheel kapot gaan door de larven die zich een weg banen vanuit de darmwand naar het darmlumen. Zulke paarden zijn ziek, krijgen heftige diarree, met vaak een fatale afloop. Bij deze paarden zullen er geen eitjes in de mest te vinden zijn, omdat de volwassen wormen door de voorafgaande behandeling zijn gedood terwijl de jonge larven nog niet in staat zijn om eitjes te produceren. Het spreekt voor zich dat een dergelijke situatie voorkomen moet worden. Bij optreden van acute diarree door wormen adviseren wij met klem om uw eigen dierenarts te contacteren.

Behandeling

Wormmiddelen met ivermectine zijn de eerste keus bij besmettingen met bloedwormen. Omdat paarden tot 5 – 6 jaar extra gevoelig zijn voor ingekapselde larfjes adviseren wij om dieren van deze leeftijd die in het najaar in besmette weides hebben gelopen in november-december preventief te behandelen met moxidectine. Andere wormmiddelen zijn niet actief tegen de ingekapselde stadia. Het is handig om dit combineren met een behandeling tegen lintwormen en horzellarven. Andere wormmiddelen zijn niet actief tegen de ingekapselde stadia.

2 Spoelwormen

De paarden spoelworm is een zeer vruchtbare worm. Een vrouwelijke worm kan tot 200.000 eitjes per dag leggen, die met de mest op de weide komen. Spoelwormeitjes worden omgeven door 3 lagen. Eitjes zijn goed beschermd tegen droogte, temperatuurverschillen en chemische stoffen en kunnen tot 10 jaar infectieus blijven! Doordat de eitjes zo goed kunnen overleven buiten het paard, is elke weide waar paarden hebben gelopen als besmet te beschouwen. Echter de infectie wordt vooral overgedragen tussen veulens van de verschillende jaargangen. Bij onvoldoende hygiëne komen ernstige infecties ook voor op stal.

Levenscyclus

Spoelworm eitjes, met daarin al vaak een larfje, kunnen het gehele jaar worden opgenomen. Aangekomen in de darm kruipt het larfje uit het eitje, dringt door de darmwand, en komt in de lever terecht. Na passage door de lever gaan de larven, via de bloedbaan, naar de longen. Afhankelijk van de hoeveelheid larven kan een ernstige longontsteking ontstaan. Let wel als er een vermoeden is van een longontsteking als gevolg van een spoelworm infectie zullen er geen spoelworm eitjes in de mest worden gevonden, er zijn immers nog geen volwassen wormen in de darmen!

Vanuit de longen worden de larven via de luchtpijp opgehoest en doorgeslikt. Bij terugkomst in de dunne darm, vindt de laatste vervelling plaats tot de volwassen worm. Bij aanwezigheid van een groot aantal volwassen wormen, kan een (gedeeltelijke) verstopping van de dunne darm ontstaan. In deze situatie vinden we natuurlijk wel een groot aantal eitjes in de mest. Paarden bouwen snel weerstand op tegen spoelwormen. Spoelwormen worden daarom zelden bij paarden ouder dan 2 jaar gevonden. Het is een infectie van veulens en eenjarige dieren.

Resistentie

Onderzoek aan de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht heeft aangetoond dat 63% van de spoelwormen aanwezig bij Nederlandse veulens resistent zijn tegen ivermectine, het actieve bestanddeel in veel gebruikte wormkuren als bijvoorbeeld: Eraquell, Eqvalan, Noromectine en Equimectine. Het is van groot belang om te weten of ook uw veulens te maken hebben met resistente spoelwormen. Laat hiervoor een mestonderzoek onderzoek uitvoeren.

Bestrijding van spoelwormen

De bestrijding berust vooral op het laag houden van het aantal eitjes dat via de mest van besmette paarden op de weide komt én op het voorkomen van schade door spoelwormen aan darmen, longen en lever. De meeste infecties zien we bij veulens van 4 maanden en ouder.

Controleer bij veulens vanaf 4 maanden ongeveer elke 2 maanden of er spoelwormeneitjes in de mest aanwezig zijn. Bij een positief mestonderzoek raden wij aan om te ontwormen met een product gebaseerd op pyrantel of fenbendazole. Beide middelen werken slechts tegen de volwassen eitjes leggende wormen, niet tegen zich ontwikkelende larven.

3 Lintwormen

De volwassen paarden lintworm verblijft gewoonlijk rond de overgang van dunne darm naar blinde darm, waar het een ontsteking veroorzaakt met als mogelijk gevolg koliek. In Nederland is slechts één soort van belang; Anaplocephala perfoliata. Dit is een korte, geel/groene lintworm met een driehoekig lichaam. De volwassen worm varieert in lengte van drie tot acht centimeter. De kop van de lintworm is uitgerust met vier haken waarmee de parasiet zich stevig aan het darmslijmvlies van zijn gastheer kan bevestigen.

Levenscyclus

De lintworm heeft een indirecte levenscyclus. Dit betekent dat een tussengastheer is vereist om zich te kunnen ontwikkelen. De tussengastheer van de lintworm is een vrij levend grasmijtje, dat lintwormeitjes opeet vanuit de mest. Dit mijtje komt in zeer grote aantallen voor de op de weides en wordt vaak zelfs in hooi en stro gevonden. De met lintwormlarfjes besmette grasmijtjes worden tijdens het grazen door het paard opgenomen. De larfjes ontwikkelen zich dan binnen 6-10 weken tot volwassen lintwormen. Oude vervilte weides zijn een risico factor omdat hier veel grasmijtjes leven.

Belang van lintwormen

Lintworminfecties vormen een risico voor de gezondheid van uw paard. Een paar lintwormen is helemaal geen probleem voor uw paard en ook bijna niet te voorkomen. Zwaardere lintworminfecties kunnen verschillende soorten koliek veroorzaken. Paarden kunnen vage koliek klachten laten zien, over een periode van meerdere weken, waarbij de koliek aanvallen steeds heftiger worden en vaker optreden. Soms kan het dier een acute ernstige koliek aanval krijgen, vaak als gevolg van een slag in de darm. Meestal zien we een milde koliek als gevolg van een lintworminfectie, doordat voedsel de overgang van dunne- en dikke darm trager passeert. Door het ophopen van voedsel raakt de darm ter plekke overrekt. Door de specifieke en relatief kleine voorkeurslocatie van de lintwormen, namelijk de overgang dunne naar dikke darm, komen lintwormen vaak in trossen voor.

Diagnostiek

Doordat lintwormen de eitjes in pakketjes afzetten is mestonderzoek niet geschikt voor het aantonen van lintwormen. Soms vinden we lintwormeitjes met regulier mestonderzoek, maar dit zijn eigenlijk toevaltreffers. Het enige dat je dan mag concluderen is dat het paard lintwormen heeft. Aan de andere kant geldt, dat als er geen eitjes te zien zijn in de mest we niet kunnen stellen dat het paard geen lintwormen heeft. Doordat de lintworm de eitjes in pakketjes uitscheidt, is er ook geen verband tussen eventueel gevonden lintwormeitjes en de ernst van de lintworminfectie. Zoals dat wel het geval is met de andere maagdarmwormen.

De nieuwe EquiSal Lintworm test toont lintwormen aan op basis van de immuunreactie van het paard. Als er lintwormen aanwezig zijn, produceert het immuunsysteem (heel specifieke) antistoffen tegen lintworm in het speeksel. De EquiSal Lintworm test toont deze specifieke antistoffen aan. Er is daarbij een direct verband tussen de hoeveelheid antistoffen in het speeksel en de hoeveelheid aanwezige lintwormen.

4 Veulenworm

Veulenworm infecties (Strongyloides westeri) komen voor bij jonge veulens. De infectiebron voor het veulen is het moederdier. Net na de geboorte wordt een bestaande sluimerende infectie in het moederdier geactiveerd en komen de larfjes via de moedermelk in het veulen terecht. Binnen 10 dagen na opname door het veulen kunnen de opgenomen larven zich al ontwikkeld hebben tot volwassen wormen die weer eitjes uitscheiden met de mest. De larfjes die uit deze eitjes komen kunnen dwars door de huid van het veulen kruipen en zo het jonge dier herinfecteren.

Ziektebeeld

Ziekte verschijnselen die gezien worden bij jonge veulens tot ongeveer 1 maand zijn diarree, sufheid, gewichtsverlies, geen melk willen drinken. Gelukkig zien we zulke infecties heel weinig. De aanwezigheid van de karakteristiek dunwandige eitjes met daarin een larfje bevestigt de infectie. Een hoge eiuitscheiding kan ook worden gevonden bij oudere veulens maar zo’n infectie is vrijwel altijd zonder symptomen. Indien u een ernstige veulenworm infectie vermoedt adviseren wij u om direct contact op te nemen met uw eigen dierenarts om zo snel mogelijk een behandeling in te zetten. Bij mestonderzoek worden ook veulenwormeitjes geteld, en kan eventueel een advies voor behandeling worden gegeven. Als u wilt weten of uw veulen besmet is met veulenwormen adviseren wij om vanaf 10 dagen mest van uw veulen in te sturen. Goede stalhygiëne is essentieel om ernstige infecties te voorkomen. Dit houdt in het dagelijks verwijderen van de (veulen)mest, de stal droog houden en het regelmatig vervangen van het strooisel.

5 Aarsmaden

Aarsmaden kennen geen migratie (kruip) route door het lichaam. Volwassen aarsmaden verblijven in de endeldarm. Als het paard slaapt of uitrust, kruipen de volwassen wormen naar buiten en leggen dan kleverige eitjes rond de anus van het paard, waarna de volwassen wormen weer terug in de endeldarm kruipen. De infectieuze eitjes vallen daarna op de weide en worden door andere paarden met het grazen weer opgenomen. De ontwikkeling van eitjes tot volwassen worm duurt 4-5 maanden en vindt plaats in de dikke darm. Het belangrijkste symptoom dat we zien is jeuk rond de staartbasis. De jeuk is vervelend, maar verder niet bedreigend. Doordat volwassen wormen altijd in de darmen van het paard zitten en er geen kruiproutes door het lichaam zijn, is de overlast die deze worm veroorzaakt gering.

Er wordt vaak melding gemaakt dat er wormen op de mest worden gevonden ondanks dat er vaak ontwormd wordt. De wormen worden dan spontaan uitgescheiden met de mest. Onder Nederlandse omstandigheden spelen aarsmaden geen grote rol. Let wel er zijn ook andere oorzaken die jeuk aan de staart basis kunnen veroorzaken. Indien uw paard overmatig schuurt en krabt aan de staart basis raden wij aan contact op te nemen met uw dierenarts. Doordat de eitjes niet in de mest worden afgezet maar op de huid rond de anus, zullen er bij mestonderzoek niet vaak eitjes worden gevonden. De effectiviteit van ivermectines is nogal eens onvoldoende tegen aarsmaden, en na behandeling kunnen deze wormen nog steeds op de mest gevonden worden!

6 Zand in mest

Zandkoliek voorkomen? Wat kan jij doen :-)

Bij Worm&Co worden de mestmonsters standaard getest op de aanwezigheid van zand maar dit is een momentopname daarom ons advies om in het voor en najaar of/en bij gevoeligheid van je paard zelf een extra controle uit te voeren. Uiteraard wordt een teveel aan zand vermeldt in de uitslag.

LET OP: ZORG DAT DE MESTBALLEN NIET IN HET ZAND HEBBEN GELEGEN DIT GEEFT EEN VALSE UITSLAG.

Twijfel jij of jouw paard een teveel aan zand met zich mee draagt? Dit kan je heel simpel thuis testen. 

Om een goed beeld te krijgen is het advies dit meerdere dagen (3/4)achter elkaar te doen omdat zand niet steeds met de mest wordt uitgescheiden.

  • Los 4/5 mestballen op in water in een doorzichtig reservoir (handschoen)
  • Hang het zakje op zodat het zand naar een punt kan zakken
  • Wacht een half uur

Als er na een half uur meer dan een theelepel op de bodem ligt dan is de kans aanwezig dat hoeveelheid zand in de darmen tot verstopping en koliek kan leiden.

Onze sponsorruiter Liset Dezijn heeft een leuk en duidelijk filmpje gemaakt over hoe je zelf kan testen of je paard een teveel aan zand met zich mee draagt. Ga naar https://fb.watch/3-68Oeo97d/

Symptomen

  • Schrapen
  • Sloomheid
  • Naar de buik kijken
  • Niet willen eten
  • Rollen, liggen, opstaan daarbij duidelijke pijn
  • Temperatuursverhoging
  • Dunnere ontlasting of juist erg vaste mestballen

Mocht je denken dat jouw paard last heeft van zandkoliek wacht dan niet te lang af en bel direct met je dierenarts. Zand kan namelijk een volledige verstopping veroorzaken of zelfs een draaiing of verplaatsing van de dikke darm tot gevolg hebben.

Mocht je nog vragen hebben laat het ons gerust weten. info@wormenco.nl

7 Leverbot

Leverbot infecties worden de laatste jaren steeds vaker bij paarden gevonden. Net als bij andere wormen worden dieren geïnfecteerd tijdens het grazen. De leverbot heeft een gecompliceerde indirecte levenscyclus. Een zoetwaterslakje is noodzakelijk als tussengastheer. Omdat deze slakjes alleen onder vochtige omstandigheden overleven, zien we dat leverbot infecties beperkt blijven tot paarden die hebben gegraasd op natte, vochtige weides en dan vooral die weides waar het voorgaande jaar schapen of runderen hebben gelopen. Op hoge zandgronden of weides die goed zijn afgewaterd komt leverbot van nature niet voor. Daarentegen ligt een leverbotinfectie altijd op de loer in bijvoorbeeld de westelijk weidegebieden. Let op: ook één natte hoek of slootkant met water kan een bron voor leverbot infecties zijn.

Levenscyclus

De volwassen leverbot leeft in de galgangen van de lever en produceert karakteristieke eitjes die met de mest worden uitgescheiden. Afhankelijk van de omgevingstemperatuur en de aanwezigheid van water, ontwikkelt zich binnen 3 weken een larfje die in het water rond zwemt en actief op zoek gaat naar de tussengastheer; een zoetwaterslakje. Het larfje dringt de slak binnen en gaat zich in het slakje vermenigvuldigen, en ontwikkelt zich verder tot een volgend stadium, de zogenaamde cercariae. Deze cercariae kruipen uit de slak en zijn dan besmettelijk voor het paard, we noemen ze dan metacercariën. De metacercariën kunnen verschillende maanden infectieus blijven. Na opname doorboren de jonge larfjes de darmwand en kruipen naar de lever waar ze dan enkele weken rondkruipen alvorens in de galgangen te belanden. De volledige cyclus duurt minimaal 4 -6 maanden. Veel paarden hebben van nature weerstand tegen leverbotten, hoewel de paarden wel geinfecteerd kunnen zijn , zijn ze goed in staat de parasieten te immobiliseren en vervolgens uit te scheiden.

Symptomen

Door de van nature hoge weerstand zijn er vaak geen duidelijke klinische verschijnselen. De symptomen zijn veelal aspecifiek: vermagering, verminderde eetlust, doffe vacht, bloedarmoede, diarree etc. Jonge paarden zijn vaker geïnfecteerd dan volwassen dieren. Het blijkt dat leverbot infecties vaak worden aangetroffen bij paarden die veel andere maagdarmwormen (spoelwormen, bloedwormen etc) bij zich dragen. Heeft u daarom een vermoeden van leverbot laat dan de mest altijd onderzoeken.

Diagnose

De diagnose van leverbot is niet eenvoudig te stellen. Een juiste beoordeling van factoren die de weidebesmetting bepalen, als vochtigheid, temperatuur en voorgaande begrazing door herkauwers al of niet geïnfecteerd met leverbot is van groot belang. Deze voorgeschiedenis in combinatie met het bloedonderzoek op leverenzymen, een mestonderzoek, en het klinisch beeld van het paard zal tot een waarschijnlijkheidsdiagnose leiden. Mestonderzoek mits goed uitgevoerd met een voldoende hoeveelheid mest en met de juiste techniek, kan de diagnose bevestigen door het aantonen van de leverbot eitjes. Bij Wormen&Co wordt de gemodificeerde Dorsman methode gebruikt. Dit onderzoek is kwalitatief, dat wil zeggen:heeft het paard de infectie al of niet. Omdat leverbot infecties vrijwel altijd worden gezien bij paarden met maagdarmwormen, combineren wij het onderzoek op leverbot altijd met een normaal onderzoek op maagdarmwormen met de McMastermethode. Bent u ook geïnteresseerd om een leverbot mestonderzoek bij uw paard uit te laten voeren? Bestel dan nu uw wormcheckkit!

Behandeling

In Nederland zijn geen middelen geregistreerd voor paarden om leverbot te bestrijden. Er zijn echter goede ervaringen opgedaan met triclabendazole. Door het veelvuldig gebruik van triclabendazole bij schapen zijn veel leverbotten resistent tegen dit middel.

8 Longworm

Bij een longworm infectie zijn de longen en diepere luchtwegen geïnfecteerd met de paardenlongworm Dictyocaulus arnfieldi. Bij paarden gaat de infectie gepaard met veel hoesten. De diagnose wordt vaak gemist. Ezels hebben vaak weinig klinische klachten van een longworm infectie, maar zijn vaak wel de bron van een weide-infectie voor paarden. Paarden die samen met ezels weiden, of de weides na ezels begrazen hebben een verhoogde kans op een longworminfectie.

Levenscyclus

Volwassen vrouwelijke wormen in de longen van een ezel leggen eitjes, waar larfjes uitkomen die worden opgehoest, doorgeslikt en met de mest uitgescheiden op het weiland. Na enkele dagen worden de larfjes infectieus voor de gastheer. De larfjes sterven af door droogte en/of koude. Hoe meer larfjes worden opgenomen door een paard des te meer klachten het paard ontwikkeld. Eenmaal geïnfecteerd ontwikkelen paarden snel immuniteit tegen volgende infecties. Paarden kunnen wel latent geïnfecteerd zijn waarbij continue zeer kleine aantallen larfjes met hun mest worden uitgescheiden. Bij paarden die voor meer dan een jaar niet worden blootgesteld aan infectie, verdwijnt de immuniteit en de dieren zijn weer volkomen gevoelig.

Symptomen

De klinische symptomen van een longworminfectie kunnen variëren van regelmatig hoesten met een lichte verhoogde ademhaling tot dieren die verstikken door een ophoping van larven en slijm in de luchtwegen.

Diagnose

Op grond van klinische symptomen de voorgaande beweiding en het vinden van larfjes in de mest kan de diagnose worden gesteld. Helaas zijn bij paarden larfjes niet altijd zichtbaar in de mest. Bij ezels daarentegen worden bij een infectie vrijwel altijd larfjes aangetroffen in de mest. De mest wordt onderzocht met de Baermann methode waarbij larfjes worden geïsoleerd uit de mest.

Behandeling

De behandeling van longworm is niet erg lastig. Zowel producten met ivermectine of moxidectine zijn effectief. Het is wel van belang dat dieren op stal worden gezet om verder besmetting te voorkomen. Als dieren veel hoesten, koorts hebben of benauwd zijn is het zaak de dierenarts erbij te roepen. Infecties bij paarden zijn in principe te voorkomen door paarden niet samen met ezels te laten grazen.

9 Habronemiasis

Even voorstellen: Habronemiasis

Habronemiasis is een infectie met Habronema wormen, dit zijn wormen die bij paarden in de maag leven. Het is aandoening die wereldwijd wel beschreven wordt maar eigenlijk niet veel voorkomt. In Nederland zijn er maar enkele gevallen geregistreerd in de afgelopen jaren.

Levenscyclus van de Habronema wormen

Habronema wormen leven in de maag van het paard, daar produceren ze eieren die met de mest worden uitgescheiden. De larven kunnen in paardenmest de maden van vliegen infecteren. Als vervolgens de maden uitgegroeid zijn tot vliegen kunnen ze de larven afzetten in vochtige plekken op het lichaam, bijvoorbeeld wondjes of slijmvliezen. De larfjes die in of rond de mond afgezet worden, worden doorgeslikt en kunnen hun levenscyclus afmaken.

Hoe ontstaat Habronemiasis

De larfjes die ergens anders afgezet worden zullen door de huid of slijmvlies heen trekken en uiteindelijk sterven. De stervende en dode larfjes veroorzaken een ontstekingsreactie waarbij het lichaam zal proberen om de larfjes in te kapselen. Dit uit zich door kleine bultjes die na verloop van tijd gaan zweren. Meestal worden de larfjes afgezet op bestaande wonden, de voorste ooghoek, de slijmvliezen van het oog, de mondhoeken of de slijmvliezen van de geslachtsdelen.

Het is een aandoening die in veel boeken beschreven wordt maar eigenlijk zeer weinig gezien wordt. Daarom is er nog maar weinig onderzoek verricht naar Habronemiasis. Waarschijnlijk speelt een overgevoeligheid voor de larven een grote rol in het ontstaan. Dat betekend dat niet elk paard wat geïnfecteerd wordt, met larven, ook daadwerkelijk deze aandoening ontwikkeld.

Ook denken ze dat er waarschijnlijk meerdere malen een infectie plaats moet vinden voordat het typische beeld zich ontwikkeld. Het is een aandoening die we in Nederland eigenlijk niet tegen kwamen in het verleden. De laatste jaren wordt er af en toe melding van gemaakt. Of dit komt door het veranderde klimaat of door het verminderde gebruik van ontwormingsmiddelen is niet bekend.

Behandeling en preventie

De behandeling bestaat meestal uit het toedienen van een wormkuur met de werkzame stof moxidectine of ivermectine. In het kader van preventie is het belangrijk om contact met vliegen zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik van vliegenkappen en vliegendekens en eventueel vliegensprays. Verder is het belangrijk om regelmatig mestonderzoek uit te voeren en indien nodig ook te ontwormen. Daarom het advies om het schema van Worm&Co op te volgen. www.wormenco.nl/wanneer

Mocht je nog vragen hebben nemen gerust contact met ons op info@wormenco.nl.

Onze partners

Categorie winnaar Horses Product van het Jaar
Categorie winnaar Horses Product van het Jaar
Preferred supplier HorseFitShop
Preferred supplier HorseFitShop
Exclusief partner FNRS
Exclusief partner FNRS
Worm&Co

Worm&Co maakt mestonderzoek écht makkelijk!